Erfelijkheidsleer in een notendop

“Fokken is gokken” wordt wel eens beweerd. Dat is gedeeltelijk wel waar maar aan de andere kant is het resultaat binnen bepaalde grenzen wel te voorspellen, theoretisch althans.

Als je op de hoogte bent van bepaalde gegevens uit de erfelijkheidsleer dan kun je een bewustere keuze maken voor de dieren die je wilt gebruiken voor je fokkerij.

Om te beginnen wil ik eerst een paar veel voorkomende termen bespreken bv.

 Aangeboren en erfelijk

 Fenotype en genotype.

 Mutaties.

 Inteelt en lijnteelt.

 Dominante, recessieve en intermediaire vererving.

Aangeboren en erfelijk

De begrippen aangeboren en erfelijk worden vaak verward. Allebei zijn ze bij de geboorte reeds aanwezig. Vaak komt een erfelijke aanleg pas later tot uiting ( bv. kaalheid).

Een moedervlek waarmee iemand geboren wordt is echter niet erfelijk, maar is wel direct zichtbaar bij de geboorte, aangeboren dus.

Als een moederdier tijdens de zwangerschap een ziekte krijgt, kan de ontwikkeling van de jongen ernstig gestoord worden. Er kunnen dan jongen geboren worden die als gevolg daarvan een aangeboren (maar geen erfelijke) afwijking hebben (vergelijk Softenonkinderen a.g.v. bepaald medicijngebruik). Deze afwijking zullen de dieren zelf nooit overbrengen op hun eigen kinderen.

Erfelijke aanleg noemt men ook wel een gen. Dit is een aanleg die van tevoren bepaald is en niet te beïnvloeden is door factoren van buitenaf, bv. oogkleur en bloedgroep.

 

Fenotype en Genotype:

Het totaal aan erfelijke aanleg, genen dus, noemt men het genotype. Dit komt tot stand bij de bevruchting en is niet veranderbaar (genetische manipulatie even niet meegerekend).

Het fenotype is het geheel van uitwendige omstandigheden, het milieu en de feitelijk aanwezige eigenschappen. Dit is door ons te veranderen en daarom hoeft het fenotype van het ene dier niet hetzelfde te zijn als het fenotype van een dier uit hetzelfde nest. Genotypisch hebben ze dezelfde eigenschappen (bv. zelfde haarkleur, oogkleur, oordracht) maar fenotypisch kunnen ze toch van elkaar verschillen ( afhankelijk van de omstandigheden waarin het dier opgroeit). Zo kan het gebeuren dat een dier bij de ene eigenaar groter en zwaarder wordt dan een nestgenoot die door een andere eigenaar opgefokt wordt. Ze kunnen bijvoorbeeld ander voer geven, andere vochtigheidsgraad in de kamer hebben, enz.

Erfelijk gezien hebben ze dezelfde onveranderlijke aanleg maar de veranderlijke invloed van de omgeving bepaald hoe het dier zich uiterlijk ontwikkeld.

De stelling: “wat er genotypisch niet in zit, komt er fenotypisch nooit uit” klopt dus. Andersom is het ook zo dat wat er genotypisch wel in zit, er fenotypisch niet altijd uit hoeft te komen.

Dat is volgens mij ook de reden dat bepaalde dieren het bij de ene persoon wel goed doen en dezelfde dieren bij een ander persoon niet. Goede leefomstandigheden zijn bij een fokkerij dus zeker van invloed voor een goede, optimale ontwikkeling van de dieren. Daarom is het zinvol je als niet alleen te verdiepen in de genetica maar ook om eens te kijken wat de beste leefomstandigheden voor jouw diersoort zijn.

Bron: NKV
Door Marian Heesbeen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *